Klotendolk: geschiedenis, types en gebruik van de dolk

Het klotendolk is een type dolk met een kenmerkend gevormde grip, met twee ovale verdikkingen bij de grip die doen denken aan mannelijke testikelsen. De dolk verscheen voor het eerst op continentale gedenkbeelden rond 1300–1350 en kende een van de langste gebruik periodes van de vijf hoofdtypen middeleeuwse dolken.

Samenstelling


Het lemmet


De lemmet stijlen van het klotendolk varieerden sterk. Een van de eerste en meest voorkomende vormen was een enkelzijdig lemmet met een driehoekige doorsnede dat gelijkmatig taps toeliep van grip tot punt.


Soms werd het lemmet versterkt voor penetratie, waarbij het eind nabij de punt vierkant werd. Deze stijlen bleven gedurende de lange levensduur van de dolk populair. Rond 1400 werd een tweesnijdende, gelijkmatig taps toelopend lemmet populair, en rond 1450 ontwikkelde dit zich tot een slank dubbelzijdig lemmet met een dik diamantvormig profiel dat soms een ricasso had.


Hoewel de vorm van het lemmet in de loop der eeuwen veranderde, bleven de meeste lemmetlengtes vrij consistent.


Over het algemeen waren de lemmeten drie tot vier keer zo lang als het heft, waardoor de meeste lemmeten tussen de 25 en 40 centimeter lang waren. Uitzonderingen kwamen voor, zoals rond de Oostzee in de 16e eeuw, waar dolken korte, brede enkelzijdige lemmeten hadden die slechts iets langer waren dan de grip


De grip


De houten grip is vaak in één stuk gemaakt en aan de bovenkant versterkt met een gevormde metalen ring. Dit type dolk was populair in Scandinavië, Vlaanderen, Wales, Schotland en Engeland tussen de 13e en 18e eeuw, vooral tijdens de Tudor periode.


In de vroegste en eenvoudigste vorm bestond de testiekel vormige grip uit één stuk hardhout, zoals ebbenhout, wortelhout, braam, heidewortel of hulst, zonder metalen onderdelen. De lobben die de beugel vormden, waren groot en goed afgerond, terwijl de knop eindigde in een bolvormige knop.


De grip kon taps toelopen richting de knop of de beugel. Later werden ook andere materialen gebruikt, zoals hoorn, ivoor, bot en in latere ontwerpen messing of zelfs agaat. Rond het begin van de 15e eeuw werden metalen platen toegevoegd als versterking bovenop de knop en tussen de testiekel vormige lobben en het lemmet, wat deze vorm de rest van de levensduur van de dolk kenmerkte.


In de vroege 15e eeuw verscheen een andere stijl van het klotendolk die naast de originele vorm werd gebruikt. Hoewel de lobben bij de stootplaat hetzelfde bleven, liep het handvat omhoog in de vorm van een omgekeerde kegel, eindigend in een platte knop die meestal met een metalen plaat was afgesloten, soms gegraveerd met geometrische patronen.


Tegen het einde van de 15e eeuw ontwikkelde zich een derde vorm, waarbij de grip rechte zijden hadden en eindigden in een platte of licht afgeronde knop, al dan niet met metalen plaat.


De grip vaak glad, maar er waren ook versies met facetten, spiraalvormige gravures of uitsteeksels. Tegen het einde van de 15e eeuw waren niet alleen de grip, maar ook de knop en testikelvormige lobben veranderd. Sommige dolken hadden drie lobben in plaats van de traditionele twee, en de metalen plaat tussen de beugel en het lemmet werd dikker, langer en boog naar het lemmet, bijna als een stootplaat.


In Noord-Frankrijk en Vlaanderen waren de lobben van metaal en staken ze uit. In Noord-Duitsland waren zowel de lobben van metaal als de knoppen schijfvormig.


In de 16e eeuw bleven zowel de phalliforme dolk als het klotendolk met omgekeerde kegelvormige knoppen populair, maar beide vormen werden langer, slanker en verfijnder. De phalliforme handvatten werden bijna kolomvormig. De knoppen waren nog steeds bolvormig maar ook vaak conisch.


Een regionale uitzondering vormden ballock-dolken rond de Oostzee, genaamd Poke, Poeke of Poicke, met phalliforme heften en conische knoppen. De lobben stonden op steeltjes en fungeerden als korte quillons met bolvormige uiteinden.

Overal in Europa gebruikt


Het klotendolk werd overal in Europa gedragen en lijkt door alle sociale lagen te zijn gebruikt. Vroege gedenkbeelden en grafstenen tonen dat de dolk aanvankelijk een ridderwapen was, terwijl later meer uitgebreide exemplaren suggereren dat ook opkomende koopmans- en ambachtsklassen het wapen gebruikten.


Uiteraard bestaan er ook eenvoudige, ruwe exemplaren die waarschijnlijk door boeren werden gedragen.

Klotendolken op de Britse eilanden


In Groot-Brittannië werd de klotendolk veel gedragen, ook door de Border Reivers, als aanvulling op de lans en het zwaard. Veel van deze wapens zijn teruggevonden aan boord van het wrak van de Mary Rose. De klotendolk is de voorloper van de Scottish dirk.


Op het continent bleef hij tot in de 16e eeuw in gebruik, terwijl hij in Engeland tot in de 17e eeuw voorkwam als de dudgeon-dolk. Alleen in Schotland bleef dit type dolk als Schotse dirk tot in de 18e eeuw gebruikt.


Deze latere stijl bleef in de 16e eeuw in gebruik, waarbij het diamantprofiel zo dik werd dat het bijna vierzijdig leek. Deze vierzijdige lemmetten zijn de meest voorkomende vorm bij 16e-eeuwse ballock-dolken.


Een variant die waarschijnlijk meer werd gedefinieerd door de vorm van het lemmet dan door het heft, was de dudgeon-dolk. Deze 17e-eeuwse dolken hadden meestal zwaar geëtste en vergulde lemmeten, die gelijkmatig taps toeliepen van heft tot punt met dikke diamantvormige doorsneden. Vrijwel alle dolken hadden platte testiekel vormige stootplaten.


In het Victoriaanse tijdperk introduceerden wapen historici de term nierdolk, vanwege de twee lobben bij de beugel, die ook als nier-achtig konden worden gezien, om seksuele connotaties te vermijden.

dudgeon-dolken


17e eeuwse dudgeon-dolken op de Britse eilanden hadden vaak een grip van lokaal boxhout, bekend als dudgeon, waarnaar de dolk is vernoemd. De verlengde grepen waren vaak gefluctueerd en/of gefacetteerd, met zes- of achtzijdige doorsnede.


De testiekelvormige lobben waren verkleind en vormden meer een halve maan rond de basis van het meestal geëtste en vergulde lemmet met ricasso en versterkte diamantpunt. Vanuit dit type dolk ontwikkelde zich de 18e eeuwse Schotse dirk.

De Schotse dirk


De Schotse dirk is de laatste en meest bekende variant van het klotendolk. De dirk volgde de trend van de dudgeon-dolk, inclusief kleinere lobben, maar deze werden nog platter en langer.


De meeste exemplaren hadden metalen banden tussen het grip en het lemmet. In plaats van de fallische vorm waren de heften afgesloten met een platte knop met metalen plaat, meestal van messing, maar ook tin, zilver en goud werden gebruikt.


Het klotendolk was meer dan een wapen alleen. Natuurlijk werd dit dolk gezien als een zelfverdedigingswapen en op deze manier door alle klasse gebruikt. In tegenstelling tot veel andere wapens zijn er geen indicaties dat klotendolken werden gedragen als statussymbool, al zijn er zeer luxe gedecoreerde en zelfs zilveren schedes bekend.

Het dragen van een klotendolk


Dolken waren bovenal een handig, praktisch hulpmiddel. Vanaf 1416 tot in de 16e eeuw werden schedes vaak voorzien van extra zakjes waarin priemen en ander gereedschap kon worden gestoken. Dit benadrukt dat het mes ook als gereedschap werd gebruikt.


Door de eeuwen heen werd het klotendolk op verschillende manieren gedragen. In de 14e eeuw werd hij vaak direct aan de gordel gedragen, waardoor hij ten hoogte van de mannelijke geslachtsdelen hing.


Dit was een periode van sexuele liberalisme en de benaming van kloten-dolk was voor mensen uit die tijd waarschijnlijk geen bezwaar. Bij burgerlijke kleding hing het dolk vaak achter de riem of werd hij bevestigd met een riemlus. In de 15e eeuw hing het dolk van aan de rechterzijde van de drager, dit vergemakkelijkt de snelheid waarmee hij getrokken kon worden.


Interne links


Bronnen:

  • Archeologische Vondst: Vondsten uit de Theems (Museum of London) en het scheepswrak de Mary Rose (1545), die tientallen klotendolken (ballock daggers) in perfecte staat hebben opgeleverd.
  • Academische Literatuur: Ward Perkins, London Museum Medieval Catalogue (1940).

Maak het verschil, doneer nu!

Lees onze nieuwste blogs!