Het pareerdolk is een kort handwapen dat in Europa werd gebruikt in de late Middeleeuwen en de vroege Renaissance. Dit wapen werd meestal in de linkerhand gebruikt samen met een éénhandig zwaard, zoals een zijzwaard of rapier.
Zoals de naam zegt, was de pareerdolk bedoeld om aanvallen af te weren. Daarom had hij vaak een brede stootplaat en soms andere onderdelen om de hand extra te beschermen. Ook kon hij worden gebruikt om aan te vallen als er een kans was.
Er bestaan verschillende soorten pareerdolken, waaronder de zwaardbreker en driedelige dolk (trident dolk) de meest opvallende zijn.
Toen zwaardvechten zich langzaam ontwikkelde tot de moderne schermsport, raakte de pareerdolk uit de mode. De nieuwe wapens, zoals de kleine degen, épée en floret, waren lichter en sneller. Daardoor was er minder tijd voor het pareerdolk efficient te gebruiken.

Ontstaan uit de quillon-dolk
Pareerdolken ontwikkelden zich uit de middeleeuwse quillon-dolk, een dolk met een pareerstang, waardoor hij lijkt op een klein zwaard. Pareerdolken verschenen in de 16e eeuw.
Deze had een stevige rechte of gebogen pareerstangen en soms een extra ring of schelpvormige beschermer bij het handvat.
Er bestonden ook versies met golvende klingen, gezaagde randen of gaatjes in de kling om het lichter te maken.
Aan het begin van de 17e eeuw verdween dit type grotendeels, en werd het vervangen door de main gauche, die vooral populair was in Spanje en Italië.
De zwaardbreker en de drietand-dolk kwamen pas later op en waren zeldzamer.
Pareerdolken werden vaak gemaakt als set met de rapier — ze hadden dan dezelfde stijl en versiering.

De Main Gauche
De main gauche (Frans voor linkerhand) werd vooral gebruikt om de aanvallen van de tegenstander af te weren.
De rechterhand hield een rapier of een ander éénhandig zwaard vast.
De main gauche was groot en stevig, met een lange, rechte pareerstang en vaak een brede vuistbeugel die vanaf de stootplaat tot de pommel liep.
Deze beschermer was meestal driehoekig van vorm. De rand van de grip boog vaak iets naar buiten, om de punt van het vijandelijke zwaard te kunnen vangen of afleiden.
De grip was meestal van hout, omwikkeld met metaaldraad, en de pommel paste bij die van de bijbehorende rapier.
De kling had meestal drie delen:
1. Bij de grip: een stomp deel zonder snede (ricasso) met soms gaten of metalen ‘armen’ om de vijandelijke kling te vangen.
2. In het midden: een enkel geslepen deel met een platte, driehoekige vorm, vaak met kleine inkepingen.
3. De punt: dubbel geslepen met een ruitvormige doorsnede. Soms zaten er kartels of tandjes op een stukje van dit deel.
Er waren veel verschillende uitvoeringen: sommige met gebogen pareerstangen, ronde beschermer of klingen met maar twee delen. Dit type bereikte zijn hoogtepunt in de late 17e eeuw, maar bleef in gebruik tot in de 18e eeuw.

De Zwaardbreker
De zwaardbreker was een dolk met diepe inkepingen aan één kant van het lemmet, een beetje als de tanden van een kam.
Hiermee kon de drager het zwaard van de tegenstander vastklemmen of stoppen.
Net als de drietand-dolk was dit een zeldzaam wapen, omdat het moeilijk te maken was.
Een bekend voorbeeld uit Italië rond 1600 is te zien in de Wallace Collection in Londen.
Hoewel de naam zwaardbreker suggereert dat het zwaarden kon ‘breken’, is dat onwaarschijnlijk. De meeste zwaarden uit die tijd waren te sterk om echt gebroken te worden door een enkele slag. Toch konden lichtere zwaarden uit de latere Renaissance soms wel barsten of breken bij een harde botsing.
Tegenwoordig wordt de naam ook gebruikt voor kleine haken of punten op beukelaars, die hetzelfde doel hadden: het wapen van de vijand vastzetten.
De drietand-Dagger
De drietand-dolk (of driedelige dolk) had een kling dat in drie delen kon openklappen.
In gesloten toestand leek het een gewone dolk, maar als je op een knop bij het handvat drukte, sprongen de twee zijkanten open door een veermechanisme, waardoor een drietand vorm ontstond. Zo kon de drager vijandelijke zwaarden vastklemmen. Net als de zwaardbreker was dit een zeldzaam en speciaal soort pareerdolk.

De Poniard
De poniard (of poignard in het Frans) was een lange, lichte steekdolk met een spitse punt en een kruisvormige pareerstang.
Hij werd vaak gedragen door edelen en ridders in de Middeleeuwen en Renaissance, vooral in Frankrijk, Zwitserland en Italië.
Hij lijkt op de pareerdolk maar was lichter en bedoeld om te steken.
Ook in het leger van Safavidisch Iran (1501–1736) werd de poniard gebruikt, vooral door soldaten uit de Kaukasus (zoals Circassiërs, Georgiërs en Armeniërs).
Moderne tijd
In de moderne schermsport worden wapens voor de linkerhand bijna nooit meer gebruikt.
In veel vechtsporten zijn ze zelfs verboden.
Maar in HEMA (Historical European Martial Arts) wordt nog wel met rapier en dolk geoefend, en soms met backsword en dolk.
Ook in kendo bestaat een stijl waarin twee zwaarden van verschillende grootte worden gebruikt, genaamd nito-ryu (letterlijk “twee-zwaardenstijl”).