In deze historische reconstructie staat een jurist, medicus en geleerde uit het begin van de vijftiende eeuw centraal. Aan de hand van een zelfgeschreven verhaal brengt Ruud van Erve de politieke, juridische en religieuze ontwikkelingen van die periode tot leven. De tekst is geschreven vanuit het perspectief van de hoofdpersoon en vormt een uitgebreide interpretatie van het leven en de wereld van een laatmiddeleeuwse geleerde.
Salve lectori.
Etsi me non mosti, volo scribere tibi haec.
Pono te non habare bonum mandatum linguae Latinae, ut pergam in ligua franca.
Ik sta nu voor u, vertegenwoordigers van de Bisschop van Utrecht, dicht bij mijn geboorteplaats.
Hoewel de stad niet veel veranderd is zijn er toch weinigen over die ik nog ken, of die mij kennen.
Wellicht is het goed als ik u verhaal wat de reden is dat ik u toespreek en hoe het zover gekomen is.
De bisschop van Utrecht vroeg mij u, zijn juristen en doctores medicinae, toe te spreken om u op de hoogte te stellen van de meest recente ontwikkelingen in de rechtsgang die zich in onze wereld voordoen. Dat juist aan mij dat verzoek werd gedaan is begrijpelijk daar ik sinds enige tijd de ons bekende wereld rondreis om de juridische systemen van de verschillende landen en regio’s te bestuderen en de heren en vorsten van advies te voorzien.
Deze studiereis is geboren in Bologna aan de Alma Mater waar ik een jarenlange aanstelling heb genoten als professor de jure et medicinae, waarbij ik mij met name heb beziggehouden met de studie van het Romeins recht, dat weer sterk in opkomst is onder de huidige vorsten en de rechterlijke macht.
Ik ontving een uitnodiging van de Bisschop enkele jaren geleden tijdens het Concilie van Konstanz, waar de strijd tussen de Pausen werd besproken. Toen het concilie ten einde liep in 1418 met een besluit Martinus tot paus te kiezen en zowel Gregorius als Benedictus en Johannes af te zetten, en terwijl ik mij opmaakte om mij bij Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië, te voegen in Parijs, heeft Bisschop Frederik van Blankenheim, mij verzocht ook Utrecht aan te doen om de politieke en juridische stand van zaken in ogenschouw te nemen en mede te werken aan een oplossing van de bestaande twisten binnen het Sticht en een standpunt inname ten opzichte van de zich steeds meer uitbreidende sekte van mijn geboortestad genoot Geert de Groote.
Helaas overleed de Bisschop Frederik twee jaren her op de leeftijd van 80 jaren en heeft zich sedertdien een strijd ontsponnen tussen de heren Rudolf van Diepholt, proost van Osnabrück en Rhabbanus van Spiers, die door de enige rechtmatige Paus Martinus wordt gesteund, maar die domproost Zweder van Kuilenburg benoemde als Bisschop van Utrecht. Slechts zeer recent, in augustus van het jaar onzes Heren 1425, trok deze Zweder de stad binnen, deed de kerkban uitspreken over Rudolf en verjoeg diens aanhangers, de Lichtenbergers uit de stad. Een verbond met Filips van Bourgondië en Arnold van Gelre is, wellicht bent u daarvan nog niet op de hoogte, aanstaande. De Bisschop Zweder hecht belang aan de mening van het concilie, boven de beslissingen van de Paus alleen en heeft daarom de uitnodiging die Frederik mij deed toekomen gehandhaafd.
Wellicht duizelt u de gehele gang van zaken en is enige toelichting op zijn plaats.
Het is belangrijk dat u zich realiseert welke mijn positie is in deze tijden en welke weg ik heb bewandeld om te mogen spreken in uw aanwezigheid en tot advies aan de Bisschop.
Op Allerheiligen in het jaar onzes Heeren 1364 werd ik geboren te Deventer. Mijn vader was een handelsman, die voer op de Noord, vooral naar Noorwegen.
In Deventer was het bestuur in handen van de gilden, waarbij de Bergenvaarders de invloedrijkste groep waren. Ik groeide in welvaart op en had weinig of geen hinder van de invloed van de Bisschop van Utrecht, die weliswaar een kathedraal bezat en een deel van de stad had ommuurd, waarbinnen het kerkelijk recht gold, maar de rest van de stad liet zich weinig gelegen liggen aan de kerkelijke invloed.
Geert Groote, die ook van Deventer geboorte was, heeft juist door die relatief beperkte invloed van de kerk in onzer geboortestad zijn humanistische ideeën kunnen ontwikkelen.
Voor mij was de opleiding aan de Latijnse school van grote waarde. Daar leerde ik lezen en schrijven.
Pas vanaf mijn 4 e jaar bezocht ik eerst de kleine school, die door de Stadsbestuurders was opgericht en bestuurd, waar ik de beginselen van lezen en schrijven, maar ook de meer handelsvaardigheden, die mijn vader natuurlijk heel belangrijk vond, rekenen, boekhouden en spreekvaardigheid begon te leren.
De Latijnse school in Deventer, waar ik vanaf mijn 7 e jaar naartoe ging, was weliswaar een kapittelschool maar toch, onder invloed van het stadsbestuur, niet alleen gericht op grammatica, retorica en logica, het trivium, maar waar ook rekenen en boekhouden een belangrijke plaats innamen. Omdat Geert Groote zich inmiddels bemoeide met het onderwijs was het onderwijs doordrongen van de studie van boeken en minder onder invloed van scholasters die zich slechts lieten benoemen om daarvan de inkomsten te kunnen incasseren.
In 1370 besloot Paus Gregorius XI, de opvolger van Urbanus, terug te keren naar Rome, vanuit Avignon. Dat gebeurde uiteindelijk in 1376, waarna, twee jaren later, Clemens VII als tegenpaus in Avignon werd benoemd onder bescherming van Frankrijks koning Karel V. Het Schisma was geboren.
Inmiddels had ik mijn scholing op de Latijnse school afgerond en was ik op mijn 9 e jaar glansrijk afgestudeerd en besloot ik te vertrekken naar de Universiteit van Bologna om daar verder te studeren in theologie, recht en geneeskunde.
1374 Was echter een angstig jaar. Nadat iedereen dacht dat de Zwarte Dood bedwongen was bereikten ons berichten dat er wederom gevallen in Italië werden vastgesteld.
Omdat Bologna dus in de gevarenzone lag besloten we dat het verstandiger was eerst naar Parijs te trekken voor studie aan de Universiteit daar.
Die Universiteit was wel veel kerkelijker en strikter in de dogmatiek, maar dat had op de geneeskunde- en de rechtenfaculteit relatief weinig invloed.
6 Jaar na de start van de studie der 7 vrije kunsten behaalde ik mijn baccalaureaat en een jaar later legde ik als magister der vrije kunsten de eed af om de gewone lessen te kunnen geven.
Daarom kon ik in 1382 als magister artes aan de slag als professor der vrije kunsten en ondertussen starten met mijn studie in de rechtsgeleerdheid en de geneeskunde……
Reactie plaatsen