Een kuras (uitspraak ongeveer kwi-rás of kuu-rás) is een harnasonderdeel dat de romp beschermt. Het bestaat uit één of meerdere stukken metaal of een ander hard materiaal.
Het woord komt waarschijnlijk van het oorspronkelijke materiaal waar het van werd gemaakt: leer. Het komt van het Oud-Franse woord cuirace en het Latijnse coriacea.
De term cuirass verwijst meestal naar zowel de borstplaat als de rugplaat. Een borstplaat beschermt alleen de voorkant; een cuirass beschermt zowel de voorkant als de achterkant van degene die het draagt.
Oudheid: Grieken en Romeinen
In de Griekse oudheid en de Romeinse tijd werd het mannelijk lichaam sterk geïdealiseerd. Dit werd zichtbaar in het zogenaamde spierharnas, musculata, dat eruitzag als een gespierde borstkas. Soms werd het versierd met symbolische figuren of afbeeldingen. Bekende voorbeelden zijn te zien in beelden van keizer Augustus.
Harnassen uit de oudheid waren vaak gemaakt van brons of andere harde materialen zoals leer. Pas in de 14e eeuw was de middeleeuwse technologie genoeg gevorderd om soortgelijke harnas onderdelen te maken.

14e eeuw: het kuras wordt gebruikelijk
In de tweede helft van de 14e eeuw werd het kuras steeds vaker gedragen samen met pantser voor de armen en benen. Aan het eind van de eeuw droegen militairen uit de aristocratische rangen van de samenleving boven hun maliënkolder een kuras van plaatstaal. Langzaamaan verdween de maliënkolder en werden enkel nog maliën supplementen gedragen bij de hals (maliën standard), oksels (voiders) en een malienrok (gousset) bij de dijen.
Een bekend voorbeeld uit deze tijd is het harnas van de Zwarte Prins (gestorven in 1376). Zijn kledij was bolvormig aan de voorkant, wat aangeeft dat er kuras onder zijn rijk versierde kleding zat.

Lengte van het kuras: tot ongeveer de navel
De 14e eeuwse kurassen rustte niet op de heupen maar ongeveer ten hoogte van de navel. Hierdoor kon degene die het droeg beter bewegen. Een harnas dat tot aan de heupen zou reiken, zou het onmogelijk maken om voorover, achterover of zijwaarts te buigen, wat noodzakelijk was om goed te kunnen bewegen wanneer je te paard was.
De rest van de buik werd dan beschermd door maliën of door een fauld (een soort metalen stroken onder het kuras).

15e eeuw: veranderingen in stijl en vorm
Aan het begin van de 15e eeuw werd het pantser soms onder een kort overkleed, de tabard gedragen. Ondertussen werden kleine metalen plaatjes (besagews) toegevoegd op schouders en andere kwetsbare plekken waar anders openingen in het harnas zaten.
Rond het midden van de 15e eeuw kreeg de borstplaat twee delen: een bovenstuk en een onderstuk dat over elkaar heen schoof voor betere beweeglijkheid. In de tweede helft van dezelfde eeuw werd het kuras soms vervangen door een brigandine.

Rond 1550: het ganzenbuik kuras
Vanaf ongeveer 1550 kreeg de borstplaat een verticale rand in het midden (de tapul). Later werd deze naar beneden verplaatst en kreeg de borstplaat een vorm die leek op een ganzenbuik. Dit werd een ganzenbuikkuras genoemd.

17e eeuw: soldaten te voet en te paard
Voetsoldaten droegen lichtere kurassen (met borst- en rugplaat). Ruiters droegen zwaardere kurassen en soms enkel borstkurassen. Dit soort harnassen bleef langer bestaan dan bijna elk ander stuk pantser. In sommige moderne legers bleven bereden eenheden zelfs nog kurassen dragen als eerbetoon aan de riddertijd.

19e–20e eeuw
Britse, Franse, Duitse en Russische zware cavalerie droegen kurassen tijdens parades, tot vlak voor de Eerste Wereldoorlog.
In het begin van die oorlog droeg de Franse cavalerie hun kurassen zelfs nog in gevechten, al vaak bedekt met canvas om minder zichtbaar te zijn en beter beschermd tegen regen.
Andere landen stopten al vóór de Eerste Wereldoorlog met het gebruik van kurassen in de strijd.
Na de Slag bij Waterloo (1815) werden oude kurassen uit de Tower of London opnieuw gebruikt voor ceremoniële taken door Britse eenheden.
Ook in Pruisen droegen elitetroepen rijk versierde leren kurassen tijdens parades.
De Zwitserse Garde van het Vaticaan draagt bij hun beëdigingen, met Kerstmis en Pasen nog steeds kurassen.

Plackart
Een plackart is een onderdeel van middeleeuws en renaissance harnas. Het bedekte oorspronkelijk de onderkant van de romp, dus het gebied van net onder de borst tot richting de navel en iets eronder. Oorspronkelijk bestonden het kuras en de plackart uit twee losse stukken plaatpantser, dit gaf extra flexibiliteit tijdens paardrijden.
De plackart werd later een extra metalen plaat die het onderste deel van de borstplaat versterkte. De plackart werd vooral gedragen in de 15e eeuw.
Soms had de plackart een glanzende metalen afwerking, terwijl het bovenste deel van het kuras werd bedekt met stof, vaak fluweel. Daardoor ontstond er een opvallend kleurverschil tussen boven- en onderkant.
De plackart eindigde bij de natuurlijke taille (ongeveer rond de navel). Aan de onderkant van de plackart zaten metalen lamellen, een soort metalen rok. Deze heetten faulds en beschermden de heupen en lies.
Oorspronkelijk beschermde de plackart dus alleen de onderbuik en werd hij vastgemaakt aan de borstplaat, die het bovenste deel van de romp beschermde. De plackart kon soms met scharnierende klinknagels worden vastgezet, zodat hij kon meebewegen wanneer de drager bewoog. Andere plackarts zaten vast als één stevige plaat zonder beweging.
Later, vooral bij Italiaans harnas, werd de plackart steeds groter, totdat hij bijna de hele voorkant van de borstplaat bedekte, dus praktisch het hele bovenlichaam tot aan de navel.
Dit type werd daarna gebruikt door cuirassiers en andere zwaar bepantserde ruiters tijdens de late 16e en 17e eeuw, als extra bescherming tegen vuurwapens.
Plackarts in de Duits-Gotische stijl hadden vaak groeven of ribbels als versiering (fluting). Deze rechte lijnen waren niet alleen mooi maar maakten het pantser ook sterker en zorgden dat zwaardslagen makkelijker werden afgeweerd. De punt waar de plackart de bovenplaat raakte, was vaak rijk versierd.

Faulds (metalen ‘rok’ onder de borstplaat)
Faulds zijn stukken plaatpantser onder de borstplaat die de taille, heupen en het gebied rond de navel en onderbuik beschermen. Ze kwamen op in West-Europa rond 1370.
Faulds bestaan uit horizontale, overlappende metalen lamellen. Door deze stroken kunnen meebuigen en vormen een soort schort van metaal aan de voorkant.
Wanneer faulds samen met een cuirass werden gedragen, was er vaak aan de achterkant een soortgelijk onderdeel aanwezig: een culet, zodat voor- en achterkant samen een metalen rok vormden rond de heupen. Bij ruiters bestond de culet vaak uit minder stroken, omdat te veel metaal hinderlijk was tijdens het rijden.
Faulds konden rechtstreeks vastzitten aan de onderrand van de borstplaat, maar ze konden ook als los onderdeel worden gedragen waarbij de borstplaat er netjes overheen viel.
De lengte verschilde, maar de meeste faulds voor het slagveld eindigden boven de knieën.
Aan de onderkant van de faulds werden vaak tassets gehangen: platen die de bovenbenen beschermden.
Vanaf de 16e eeuw werden faulds en tassets soms zo gemaakt dat ze bijna één geheel vormden. Voor speciale toernooien bestond er een veel grotere metalen rok, de tonlet.

In de 17e eeuw verdwenen faulds en tassets vaak helemaal uit het harnas, of waren er alleen nog grote tassets die direct aan de borstplaat hingen, dus zonder faulds ertussen.Deze waren ideaal ter bescherming van de bovenbenen bij piekeniers.

Culet (pantser voor onderrug / billen)
Een culet is een stuk plaatpantser gemaakt van kleine horizontale metalen lamellen. Het beschermt de onderrug en soms de billen.
Onder de culet droeg men meestal een maliënrok (goussets) of een mail brayette, deze beschermde ook de onderbuik en lies.
Interne links
- Coat of Plates: middeleeuws segmentpantser voor de romp
- Gorget: metalen kraag voor nek en bovenborst
- Tassets: bovenbeenbescherming in plaatpantser
- Gambeson: middeleeuws gewatteerd pantser en bescherming
- Munitiepantser: Massaproductie harnassen 15e–17e eeuw
Bronnen:
- Academische Literatuur: Dr. Alan Williams, The Knight and the Blast Furnace (metallurgische studie naar de evolutie en hardheid van middeleeuwse kurassen).