Een piek is een lange stootspeer die vroeger gebruikt werd in Europese oorlogvoering, vanaf de Late Middeleeuwen (ca. 1300–1500) tot in een groot deel van de vroege moderne tijd (ca. 1500–1700) was de piek een van de meest populaire wapens in de Europese legers.
De piek werd gebruikt door voetsoldaten, opgesteld in een piekblok, een dichte formatie van soldaten met lange speren. Uiteindelijk werd de piek bijna helemaal vervangen door musketten met bajonetten.
De piek stond vooral bekend als het belangrijkste wapen van de Spaanse tercios (vanaf de 1500s), de Zwitserse huursoldaten (vanaf de 1400s), de Duitse Landsknechten (1480–1600) en de sans-culottes in de Franse Revolutie (1789–1799).

Pieken in de oudheid
Een vergelijkbaar wapen, de sarissa, werd al gebruikt in de Oudheid, door het leger van Alexander de Grote (356–323 v.Chr.) in de Macedonische falangisten en later door de Grieks-Hellenistische legers van Italië tot aan India.
Beschrijving van de piek
De piek was 3 tot 7 meter lang. Een speer wordt een piek genoemd wanneer zij te lang is om met één hand te gebruiken.
Het gewicht lag meestal tussen 2 en 6 kilo. De Engelse soldaat Sir John Smythe schreef in de 16e eeuw dat lichtere pieken beter waren dan zware.
De piek bestond uit een houten stok, vaak van essenhout, een stalen punt en metalen verstevigingsstroken, langets, om te voorkomen dat de vijand de punt kon afkappen. Wanneer twee legers elkaar met pieken bestreden, probeerde men steeds langere en sterkere pieken te maken — een soort wapenwedloop.
Het is een veelgemaakte fout om alle paalwapens met een bladvormige punt pieken te noemen. Andere paalwapens zijn bijvoorbeeld de hellebaard, glaive, ranseur, bill of voulge.

Gebruik in gevechten
De grote lengte maakte het mogelijk om een muur van speerpunten naar de vijand te richten. Maar in man-tegen-mangevechten was de piek erg onhandig. Daarom droegen pikeniers ook een dolk of zwaard voor dichtbij gevecht. Ze hadden vaak geen schild, of slechts een heel klein schild.

Tactiek
Omdat pieken moeilijk te hanteren waren, werden ze meestal defensief gebruikt, samen met soldaten met vuurwapens, kruisbogen of hellebaarden. Goed getrainde troepen konden echter ook een agressieve aanval inzetten, waarbij meerdere rijen tegelijk hun pieken naar voren staken.

Een goed georganiseerd piekblok kon over vijandelijke infanterie heenrollen, maar de formatie had zwakke plekken, ze kon niet snel draaien, de zijkanten en achterkant waren kwetsbaar, op oneffen terrein raakte de formatie snel in wanorde (zoals bij de Schotse formatie in de Slag bij Flodden, 1513).
Als een piekblok in wanorde raakte, veranderde het gevecht in een chaotische handgemeen waarin pikeniers in het nadeel waren.
Twee manieren van piek-op-piek–gevechten
Volgens Sir John Smythe (16e eeuw) waren er twee manieren waarop twee piekblokken elkaar ontmoetten:
- 1. Voorzichtig – op afstand prikken met pieken (Smythe vond dit belachelijk).
- 2. Agressief – snel naderen, waarbij de eerste vijf rijen elk één harde stoot gaven.
Als dat de vijand niet brak, gebruikten de mannen op de eerste rij zwaarden en dolken. En klommen ze tussen de piepen door naar de vijandelijke linie.
Hoewel het een legerwapen was, kon de piek ook effectief zijn in duels. In de 16e eeuw oefenden schermers soms met lange stokken. De Engelse meester George Silver vond een piek van 5,5 meter zeer sterk in één-op-één gevecht.
Geschiedenis

Griekse Falanx
De vroegste echte piek was de sarissa van de Macedoniërs onder Philip II en Alexander de Grote. Deze domineerde de oorlogvoering eeuwenlang.
Na de val van Macedonië verdween de piek ongeveer 1.000 jaar, behalve mogelijk bij sommige Germaanse stammen. De Romeinse schrijver Tacitus beschreef in de 2e eeuw Germaanse krijgers met “zeer lange speren”.

Middeleeuwen
In de middeleeuwen werd de piek veel gebruikt door infanterie-eenheden. Vooral Vlaamse stedelijke milities en Schotse boerenlegers maakten er effectief gebruik van in gevechten tegen zwaarbewapende ridders. De piek stelde relatief slecht bewapende voetknechten in staat om de aanval van ruiters af te weren en bood een strategisch voordeel in groepsformatie.
Belangrijke veldslagen
Een bekend voorbeeld is de Slag bij Bannockburn in 1314, waarin de Schotten gebruikmaakten van de schiltron – een dichte cirkel van pikeniers met hun speren naar buiten gericht – om de Engelse cavalerie tegen te houden.
Ook de Guldensporenslag in 1302 laat zien hoe goed georganiseerde Vlamingen met lange speren Franse ridders wisten te weerstaan. Deze veldslagen bewezen dat een goed getrainde infanterie, zelfs bestaande uit boeren of stedelijke milities, ridders succesvol kon stoppen.

Kwetsbaarheid van pikeniers
Ondanks hun effectiviteit waren pikeniers kwetsbaar voor geschut en afstandswapens zoals bogen en kruisbogen. Vooral lichtbewapende eenheden hadden weinig bescherming tegen pijlen. Vaak boden rechtop staande pieken de enige effectieve bescherming tegen pijlen.
Enkele grote nederlagen van pikeniers waren onder andere de Slag bij Roosebeke in 1382, waar Vlaamse troepen door Franse legers werden verslagen, en de Slag bij Halidon Hill in 1333, waarbij de Schotse infanterie zware verliezen leed tegen Engelse boogschutters.
Strategisch belang
Het gebruik van de piek toont aan dat militaire tactiek in de middeleeuwen evolueerde. De verschuiving van de dominantie van ridders naar georganiseerde voetknechten markeerde een belangrijke verandering in oorlogsvoering.
Pikeniers werden de ruggengraat van veel legers, en hun succes hing vaak af van discipline, formatie en ondersteuning door boogschutters of artillerie.
Succesvolle aanvallen
Slag bij Stirling Bridge (1297) – Schotse piekenierseenheden overweldigden de Engelsen.
Slag bij Laupen (1339) – Bernese pikeniers versloegen een Habsburgs-Bourgondisch leger met een sterke piekaanval.

De Zwitsers en de Landsknechten
De Zwitsers ontwikkelden in de 15e eeuw zeer goed getrainde piekblokken met tromgeroffel, discipline en grote snelheid.
Hun succes leidde tot de Duitse Landsknechten, die dezelfde methoden toepasten.
In Milaan bepaalde een wet in 1391 dat pieken minstens 4,35 meter moesten zijn. In 1397 werd vastgelegd dat de helft van het Milanese leger pieken moest dragen.

Hoogtepunt: 1400–1600
Tijdens de Renaissance, een periode van grote culturele en militaire veranderingen in Europa, bleven piekblokken bijzonder effectief in de strijd.

Belangrijke successen in de Bourgondische Oorlogen
De piekblokken behaalden hun grootste successen tijdens de Bourgondische Oorlogen (1474–1477), een reeks conflicten tussen het hertogdom Bourgondië en de Zwitserse Confederatie, gesteund door diverse Europese bondgenoten. Vooral de Zwitsers maakten efficiënt gebruik van piekblokken tegen de zwaarbewapende Bourgondische ridders.
Slag bij Grandson (1476): De Zwitserse infanterie versloeg de Bourgondische troepen, waarbij de discipline en samenhang van hun piekblokken doorslaggevend waren.
Slag bij Murten (1476): Opnieuw wisten de Zwitsers met hun compacte formatie de Bourgondische cavalerie te neutraliseren en een beslissende overwinning te behalen.
Slag bij Nancy (1477): Dit conflict leidde tot het einde van de Bourgondische macht na de dood van hertog Karel de Stoute, mede door het succesvolle gebruik van piekblokken door de Zwitserse soldaten.

Strategisch belang van de piekblok
De successen tijdens deze veldslagen tonen aan dat goed getrainde infanterie, gewapend met lange pieken, zelfs de zwaarste cavalerie kan overwinnen. De tactiek van de piekblok beïnvloedde militaire strategieën in Europa langdurig en vormde de basis voor latere infanterieformaties in de 16e en 17e eeuw.

Piek en schot (pike and shot)
Vanaf de late 1400s en de 1500s ontstond een formatie die pikeniers combineerde met haakbus- of musketdragende soldaten.
Deze tactiek werd ontwikkeld door de Landsknechten van het Heilige Roomse Rijk en de Spaanse tercios. Later namen ook de Nederlanders (o.a. onder Maurits van Nassau) en de Zweden deze methode over in de 17e eeuw.
De tactiek bleef belangrijk tot de bajonet rond 1650–1700 de piek overbodig maakte.
Oorsprong
Aan het begin van de 16e eeuw werden de oorlogen in Europa vooral bepaald door troepensoorten die in de late middeleeuwen hun waarde bewezen hadden. Tijdens conflicten zoals de Honderdjarige Oorlog, de Bourgondische Oorlogen en de laatste fase van de Spaanse Reconquista zagen bevelhebbers welke soldaten het meest effectief waren.
Dit waren vooral de zwaar gepantserde gendarmes, die eigenlijk een verbeterde, professionele vorm van de middeleeuwse ridder waren, de Zwitserse huurlingen die bekend stonden om hun dichte piekformaties, de Spaanse tercios, en de Duitse Landsknechten, die eveneens beroemd waren vanwege hun lange pieken. En de langboog schutters, een Engelse bewezen techniek uit de honderdjarige oorlog.
In diezelfde tijd ontwikkelde ook de artillerie, vooral de zware kanonnen, zich snel en speelde ze een steeds belangrijkere rol op het slagveld.
Keizer Maximiliaan I streed tegen de Fransen in de Oorlog van de Bourgondische Successie en in de Italiaanse Oorlogen. Tijdens deze conflicten richtte hij de eenheden van de Landsknechten op. Veel van hun tactieken waren gebaseerd op de Zwitserse manier van vechten, maar Maximiliaan voegde daar het gebruik van vuurwapens aan toe.
De combinatie van vuurwapens en pieken gaf zijn troepen een tactisch voordeel tegenover de Fransen. Deze gemengde eenheden, waarin schutters en piekeniers samenwerkten, werden vooral gerekruteerd in Duitsland, Oostenrijk en Tirol.
In 1495 werd het Spaanse leger, dat tot dan toe veel succes had gekend, verslagen in de Slag bij Seminara. Ze probeerden de Franse invasie van Napels tegen te houden, maar hun tegenstanders maakten gebruik van zwaar gepantserde cavalerie en Zwitserse piekeniers.
Na deze nederlaag begon Spanje onder leiding van Gonzalo Fernández de Córdoba, bijgenaamd “El Gran Capitán”, aan een grondige herziening van het leger. Fernández de Córdoba realiseerde zich dat hij niet kon opboksen tegen de directe kracht van de Franse cavalerie en de Zwitserse pieken. Daarom koos hij ervoor de opkomende kracht van vuurwapens te combineren met de verdedigende kracht van de piek.
Hij plaatste schutters en piekeniers zo dicht bij elkaar dat ze elkaar voortdurend konden ondersteunen, vooral wanneer een sterke verdedigende positie werd ingenomen.Deze nieuwe gemengde formaties werden colunellas genoemd. Ze bestonden uit dichte groepen piekeniers en meer open groepen haakbusschutters.
Omdat vuurwapens aan het begin van de 16e eeuw onnauwkeurig waren, langzaam laadden en slechts een korte afstand konden overbruggen, konden de schutters na enkele schoten achter de piekeniers vluchten zodra de vijand dichterbij kwam.
De tactiek bewees haar waarde in de Slag bij Cerignola rond 1503, waar de Spanjaarden, ondanks hun numerieke minderheid, in een sterke positie de aanvallende Franse gendarmes en Zwitserse huurlingen verpletterden.
Dit was een van de grootste overwinningen in de Italiaanse Oorlogen en toonde het succes van deze nieuwe strijdmethode.

Verandering van Wapenverhoudingen
In de loop van de 16e en 17e eeuw veranderden de verhoudingen tussen slagwapens en vuurwapens voortdurend. Hoe later in de tijd, hoe belangrijker vuurwapens werden. Hierdoor veranderde ook de rol van de piek.
In de late 15e eeuw en de eerste helft van de 16e eeuw was de piek vooral een aanvalswapen waarmee troepen massaal vooruit stormden. Tegen het einde van de 16e eeuw en in de 17e eeuw werd de piek vooral een verdedigingswapen, bedoeld om vijandelijke ruiters op afstand te houden.
Omdat gevechten steeds vaker door schieten werden beslist, werd het traditionele duwen met pieken zeldzamer. Ook de hellebaard, een wapen dat zowel kon snijden. Houwen als steken, verloor zijn belang. Oorspronkelijk was hij ideaal om vijandelijke piekformaties te breken, maar toen dat nauwelijks meer gebeurde, werd het minder nuttig.
In Frankrijk werd de hellebaard in 1568 afgeschaft voor gewone soldaten, en de Nederlanders volgden niet lang daarna. De Spanjaarden en sommige Duitse staten bleven de hellebaard nog tot halverwege de 17e eeuw gebruiken, al wel in kleine aantallen.
Ondanks de opkomst van vuurwapens bleef het zwaard een van de meest voorkomende wapens op het slagveld. Tijdens de Franse Religieoorlogen in de jaren 1560 en 1570 bleek zelfs dat meer dan de helft van alle verwondingen door zwaarden werd veroorzaakt.

Het eind van de piek
Vanaf het midden van de 17e eeuw, rond 1650, begonnen legers die de musket als standaardwapen invoerden, de piek helemaal te laten verdwijnen of het aantal piekeniers sterk te verminderen.
Vuursteen musketten, zoals het miquelet-slot dat al sinds het begin van de 16e eeuw bestond, kwamen wel voor, maar werden pas tegen het einde van de 17e eeuw echt algemeen.
Met de komst van de bajonet, die aan de loop van de musket kon worden bevestigd, veranderde het vuurwapen bovendien in een soort speer. Hierdoor werd het hand-tot-handgevecht steeds minder belangrijk, omdat het vuurwapen nu zo krachtig en effectief werd dat een veldslag vaak alleen door schoten kon worden beslist.
Na de Slag bij Rocroi op 19 mei 1643 liet Spanje het oude Tercio-systeem vallen en schakelde het over op de linietactiek die door Frankrijk werd gebruikt.
Rond 1700 stopten de meeste Europese legers helemaal met piekeniers, al waren er grote verschillen per land. Pruisen was er al vroeg mee gestopt, terwijl Zweden en Rusland ze nog tot ruim na 1700 gebruikten. Vooral het Zweedse leger van koning Karel XII, die regeerde van 1697 tot 1718, gebruikte de piek tot 1721 nog zeer effectief.
Het leger van het Heilige Roomse Rijk stopte in 1699 officieel met het gebruik van piekeniers. Al sinds de Dertigjarige Oorlog, die liep van 1618 tot 1648, werden pieken en lansen daar steeds minder ingezet.
Hoewel de piek rond 1700 tot 1720 grotendeels uit de reguliere legers was verdwenen, dook hij later toch nog op in landen zoals Ierland, Rusland en China. Meestal gebeurde dat bij opstanden waarbij boeren geen toegang hadden tot vuurwapens en noodgedwongen gebruik maakten van pieken.
Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861–1865) was er zelfs een poging om de piek opnieuw als hoofdwapen te gebruiken. In 1862 wilde het Zuidelijke leger twintig regimenten piekeniers oprichten.
Interne links
- Glaive: Middeleeuws paalwapen voor voetvolk en ruiters
- Hellebaard: Middeleeuws paalwapen en ceremoniële bijl
- Over Boheemse oorlepel
- Germaanse speren: framea, Angon en vroegmiddeleeuws wapen
Bronnen:
- Primaire Bron: Johann Jacobi von Wallhausen, Kriegskunst zu Fuß (1615) – bevat gedetailleerde gravures van de exercities en formaties met de piek tijdens de Tachtigjarige Oorlog.