De speer was samen met de boog, de sax en het schild het belangrijkste wapen van Germaanse krijgers tijdens de Germaanse ijzertijd en Migratieperiode.
Etymologie
Het woord voor speer, kêr of gêr, is al bekend vanaf de 8e eeuw, zoals vermeld in de “het Hildebrands lied” en het Heliand-epos. Varianten van dit woord komen ook voor in Germaanse persoonsnamen, zowel bij mannen als vrouwen. In het moderne Duits leeft het voort als Ger of Gehr, vaak in poëtische of verouderde context, terwijl een vrouwelijke vorm Gehre gebruikt wordt om een “inzetstuk” of ‘gusset’ aan te duiden.

Framea
De Romeinse schrijver Tacitus beschreef in zijn werk Germania het Germaanse wapensarsenaal: ijzer was schaars, en slechts enkelen gebruikten zwaarden. De meeste krijgers droegen een speer, de zogenaamde framea, met een smalle, korte punt die zowel voor korte afstandsgevechten als werpen geschikt was.
Ruiters waren tevreden met een schild en een speer, terwijl voetknechten meerdere speren konden werpen over grote afstand, vaak met minimale kleding.
Andere schrijvers zoals Eucherius van Lyon, Gregorius van Tours en Isidorus gebruiken het woord eveneens. Tegen de 7e eeuw verwees framea soms ook naar een zwaard.
Linguïsten suggereren een Proto-Germaanse oorsprong zoals framja of þramja, wat mogelijk verband houdt met het Oudnoorse þremjar (“randen, zwaardklingen”) en Oud-Saksisch thrummi (“punt van een speer”).
In de 15e eeuw duikt het woord opnieuw op in de titel van het heksenboek Malleus Maleficarum, waar het in poëtische zin wordt gebruikt om de kracht van een zwaard te beschrijven.
Waarschijnlijk was de framea een speer van 1,5 tot 2 meter lang en had hij een kleine ijzeren speerpunt met meerdere snijvlakken en rechte of bladvormige schouders.

De Angon
Tijdens de vroege Angelsaksische periode droegen goed uitgeruste krijgers naast hun zwaard meestal een speer, framea of een doorontwikkeling van het Romeinse pilum, de Angon.
De Angon was ongeveer 1,8–2,1 meter lang, waarvan ongeveer de helft een houten schacht was en de rest een lange, smalle ijzeren punt. De punt had haken of weerhaken en een vierkante, geharde, pantserdoorborende kop.
Het ontwerp lijkt sterk op latere Engelse pijlpunten met haken die tijdens de Honderdjarige Oorlog werden gebruikt. Het maken van een Angon vereiste veel vakmanschap en was daardoor een relatief duur wapen.
De geschiedenis van de Angon begint waarschijnlijk in de 5e eeuw v.Chr. met de uitvinding van het Pilum in Italië door de Etrusken. Het pilum had een lange, dunne ijzeren punt op een houten schacht en was ontworpen om schilden te doorboren en de tegenstander te verwonden.
Sommige pilum-punten hadden weerhaken, wat duidelijk de inspiratie vormt voor de Angon.
Tijdens de 5e eeuw na Chr. schrijft de Romeinse auteur Flavius Vegetius Renatus in De Re Militari over de wapens van de infanterie: lichte speren, de Verutum en het Spiculum. Deze waren vergelijkbaar met de pilum en de vroege Angon.
Het zwaartepunt van het gevecht in de Angelsaksische periode lag vrijwel altijd bij de speer. Er waren lichte werpsperen voor ongepantserde tegenstanders en zwaardere speren voor gevechten van dichtbij.
De Angon, met zijn punt met weerhaken en robuuste metalen schacht, was een prestigieus wapen, bedoeld voor aristocraten en hooggeplaatste krijgers. Het werd gebruikt om de eerste aanval te openen, waarbij de tegenstander vaak nog zwaar bewapend was.
De Frankische Angon had doorgaans een metalen punt van 80–90 cm met een relatief korte houten schacht. Dankzij de weerhaken kon de speer niet eenvoudig uit een schild of lichaam worden verwijderd, wat enorme pijn veroorzaakte en de tegenstander vaak fataal verwondde.
Frankische krijgers vertrouwden voornamelijk op hun Angons en werpbijlen, de francisca bijl en maakten weinig gebruik van bogen of slingers.
Volgens sommige historici, zoals Steve Pollington, is het Engelse volk (Anglecynn) mogelijk vernoemd naar de dit type speer: het Oudengelse woord ang(a) of angul betekent letterlijk een weerhaak, vergelijkbaar met een haak of weerhaak.
Interne links
- La Tène Speerpunten: Evolutie, Typologie en Ritueel
- Piek: lange speer, tactiek en geschiedenis in Europa
- Romeinse cavalerie in de Oudheid: functie, geschiedenis en kenmerken
- Zwaarden uit de Migratieperiode (spatha)
Bronnen
- Primaire Bron: Tacitus, Germania (6e hoofdstuk), voor de vroegste beschrijving en introductie van de term framea.
- Archeologische Vondst: De rijke Merovingische graven van Krefeld-Gellep (Duitsland), die uitstekende fysieke voorbeelden van angons (weerhaaksperen) hebben opgeleverd.
- Academische Literatuur: Waffen und Gräber. Beiträge zur Erforschung der Vroegmiddeleeuwse Militaria (Universiteit van Bonn).