Maliënkolders

124555.jpgDe maliënkolder is net als schaalpantser en lamelpantser een type lichaamsbescherming dat vanaf de klassieke periode tot de middeleeuwen en later werd gedragen. Vaak wordt er foutief aangenomen dat leren harnassen vooral in de donkere middeleeuwen erg populair waren. Archeologisch onderzoek bewijst echter dat niet de leren kurassen maar de maliënkolder het meest gebruikte type lichaamsbescherming was. 

Afgelopen eeuwen is er ten onrechte relatief weinig aandacht aan de maliënkolder besteed. 

Er zijn ten eerste veel meer bewijzen van plaatstaal en harnassen, die voornamelijk in latere periodes werden gedragen. Daarbij wordt vaak vergeten dat de maliënkolder zelfs tot lang na de introductie van het plaatstaal in gebruik is gebleven. Ten tweede zijn er ook veel misverstanden over de effectiviteit van de maliënkolder. Hij zou erg zwaar zijn en bij de lichtste steken al te doorboren zijn. 

Recent onderzoek wijst uit dat deze beweringen wat kort door de bocht zijn. Maliënkolders komen al ongeveer 2000 jaar voor en zijn zonder twijfel het meest gebruikte type lichaamsbescherming.

Een persoon die een maliënkolder droeg, droeg daaronder vrijwel zonder uitzondering een wambuis. Hij was dus op twee manieren beschermd. Het maliën was flexibel, bood de drager optimale bewegingsvrijheid en kon harde klappen weerstaan door de manier van vlechten en klinken. Met spierkracht alleen kon er vrijwel niet door de maliënkolder heen geslagen worden. De wambuis of gambeson was van binnen gevuld met wol en kon daardoor klappen absorberen en over een deel van het lichaam verdelen. Een slag werd dus opgevangen door het maliën en geabsorbeerd door de wambuis.  

bay2.jpgIn de oneindige wapenwetloop werden er nieuwe wapens ontwikkeld die door maliën heen konden steken. Een logische reactie daarop was de ontwikkeling van het plaatstaal in de 14de eeuw, die deze steken kon neutraliseren. Het maliën bleef echter altijd in gebruik om de kwetsbare punten in het harnas te beschermen. 

Maliën bestaat uit duizenden ringen die aan elkaar zijn bevestigd. Maliënringen kunnen zowel met een klinknagel dichtgeklonken worden als eenvoudig worden dichtgeknepen. Veel middeleeuwse maliënkolders vertonen een mix van beide manieren. De bekendste manier is de één op vier constructie, waarbij elke maliënring met vier andere ringen verbonden was.

Maliën maken

14deeeuwsmalienwallacecollection.jpgMaliënkolders waren erg duur om te maken, daarom droeg alleen de aristocratie ze. Bisschoppen en monniken schreven dat voor de 1ste eeuw v.Chr. lichaamsbepantsering gelijk stond aan rijkdom en status. 

Er waren twee gebruikelijke manieren om maliën te maken. De eerste was om kleine fragmenten ijzer in elkaar te draaien en plat te slaan, de tweede was om platte plakkaten ijzer te snijden en in elkaar te draaien.

Om het staaldraad een goede dikte te geven werd er al vanaf de Romeinse tijd gebruik gemaakt van een draadtrekker. Dit hulpmiddel zorgde ervoor dat het verhitte metaaldraad steeds dunner gemaakt kon worden door ze door een serie met gaatjes heen te trekken. Wanneer het metaaldraad de gewenste dikte had, kon hij in vorm worden gemaakt. Hij werd waarschijnlijk rond een staafje gewonden en daarna doorgesneden, zodat de individuele ringetjes ontstonden. Intussen koelden de ringetjes af. Om ze weer op goede temperatuur te krijgen werden ze op kolen gelegd. Vervolgens werden de twee uiteinden, of het gehele ringetje, platgehamerd zodat er een gaatje kon worden geboord voor een klinknagel.

Er werden verschillende soorten klinknagels gebruikt. Romeins maliën, vroeg-middeleeuws maliën en Duits maliën dat tussen de 13de en 16de eeuw werd gemaakt maakte gebruik van ronde klinknagels. Bij ander maliën werden vaak wigvormige klinknagels gebruikt.

Maliën in Europa

15deeeuwsmalienwallacecollection.jpgWaarschijnlijk is maliën rond de 4de eeuw v.Chr. door de Kelten ontwikkeld. Ook in de klassieke wereld werd deze theorie aangehangen. Strabo schreef dat maliën Gallisch was en Varro vermeldde dat de Romeinen het maliën na hun verovering op Gallië overnamen. 

Het tot nu toe oudste teruggevonden maliën dateert uit de eerste helft van 3de eeuw v.Chr. en is in Slowakije teruggevonden. De oudste sporen van Keltisch maliën komen eveneens uit de 3de eeuw v.Chr. en zijn in Ciumesti, Roemenië, opgegraven. Aan het eind van deze eeuw werden er in Frankrijk standbeelden gemaakt van mannen die maliënkolders lijken te dragen. 

De Romeinen namen het maliën van de Kelten over en noemden een maliënkolder een “lorica hamata”, “aan elkaar verbonden pantser”. De hamata ging met de Romeinen mee naar Afrika en het Midden-Oosten, waar het al snel door de lokale bevolking werd overgenomen. 

Ook toen rond de 1ste  eeuw n.Chr. de Romeinen de lorica segmentata ontwikkelden bleef maliën populair. Maliën heeft verschillende voordelen ten opzichte van de segmentata, het is flexibeler en comfortabeler om te dragen, biedt betere bescherming aan schouders, maag en oksels, was gemakkelijker op te slaan, te transporten en was gemakkelijker schoon te maken dan de segmentata. Rond de 3de eeuw n.Chr. werd maliën reeds in geheel Europa en het Midden-Oosten gedragen.

Tussen de 12de en 16de eeuw werden in Europa voornamelijk lange maliënkolders gebruikt. De maliënkolders hadden lange mouwen en kwamen soms tot de knieën. In maliënkolders voor cavaleristen zat een split in het midden, zodat het paard gemakkelijk bereden kon worden. 

In Europa werd net als in de rest van de wereld vrijwel altijd een wambuis of gambeson onder de maliënkolder gedragen. Maliën bleef in gebruik toen het plaatstaal zich ontwikkelde. Net als bij de lorica segmentata had maliën als voordeel dat het de scharnierpunten (armen, knieën, liezen) beschermde.  In de 14de en 15de eeuw werd het maliënkolder onder het harnas gedragen. 

Het is bekend dat er in het Midden-Oosten en Rusland dubbel maliën werd gedragen. Het is vrijwel zeker dat dit in Europa soms ook het geval was. We weten echter niet hoe dit type maliën eruit moet hebben gezien. Mogelijk waren de ringen tweemaal zo sterk als de normale ringen of werden er twee keer zoveel ringen gebruikt. Er is ook een kans dat er twee maliënkolders over elkaar werden gedragen, in dat geval zou er een dunne wambuis tussen hebben gezeten.

Maliën in het Midden-Oosten

taq-ebostanlargecavekhusrauii02.jpgRond de 2de eeuw n.Chr. kwam maliën overal in het Midden-Oosten voor. Tijdens opgravingen bij Dura-Europos in Syrië zijn veel maliënfragmenten teruggevonden.  Dit was een Romeins fort en veel van het maliën was waarschijnlijk Romeins. Tenminste één exemplaar lijkt Assasijns te zijn. Het gaat hierbij om een maliënkolder dat tot de dij komt en halflange mouwen heeft. De ringen hebben een binnendiameter van 6 mm en een buitendiameter van 8 mm en zijn ongeveer 1 mm dik. Op de borst is een koperen patroon gemaakt dat mogelijk voor een Assasijnse stam staat. Aan de binnenkant van de maliënkolder zijn de restanten van vilten onderkleding zichtbaar. 

3de eeuwse rotsschilderingen in Firuzabad geven de Parthen en de Perzische soldaten beiden in maliën gekleed weer. Daarnaast zijn er verschillende zilveren beeldtenissen van Assasijnse krijger die allemaal een maliënkolder dragen.

Op de 7de eeuwse rotsschilderingen van Tag-i-Bostan staat de Assasijnse koning Khusru de 2de gekleed in een lange maliënkolder die aan zijn helm bevestigd is. De helm lijkt overigens erg veel op de Zweedse Valsgardehelm en dateert uit dezelfde periode. 

De bepantsering van het Midden-Oosten veranderde weinig. Zelfs tot in de 18de eeuw werd er maliën in India gedragen. Maliën was erg populair en werd in sommige gevallen zelfs in combinatie met schaalpantser gedragen. Howarth schreef dat in 1393 de Perzische soldaten uitgerust waren met een maliënkolder (een zereh baktah) en daarover een kuras van schaalpantser droegen. Op dit gebied is er is weinig verschil te vinden bij de Saracenen en de Mamlukken.

Russische maliënkolders

345345.jpgIn Rusland was het maliën belend als kol`chataya bronya of kol`chuga. De naam bronya komt waarschijnlijk van het Germaanse brunja en het Franse broigne. Een maliënkolder dat de baidana heette kwam oorspronkelijk van de Arabische badan. Dit is het enige type maliënkolder dat zowel door de Turken als de Russen werd gedragenen en had een dubbele laag maliën aan de voorkant. Sommige Russische maliënkolders werden gemaakt met ringen van verschillende diameters. Grote ringen werden op de schouders gebruikt en de kleinere ringen werden voornamelijk op de rug en de borst gemaakt. De dikste ringen werden gebruikt op kwetsbare plaatsen en de lichtste ringen werden rechts geplaatst, dat gedeelte werd door het schild beschermd. De Russen maakten ook gebruik van maliënchausses en onder het maliënkolder droegen ze een pozdor, een wambuis die de klappen absorbeerde.

Azië

In Korea werd het maliën vanaf de 12de eeuw veelvuldig gebruikt, mogelijk in verband met de Mongoolse invasies. In China echter, hoewel het bekend was, heeft het geen echte rol van betekenis gespeeld. Er is ook nooit een Chinese maliënproductie op gang genomen, de Chinezen kregen maliën door oorlogsbuit en handel. Wel ontwikkelde de Chineese generaal Hau Shi-chung een type maliën dat bestendig was tegen pijlen. De Chinezen noemden het de lien so kia. Soms werd maliën gedragen door de Noord-Chinese cavalerie, in combinatie met schaal of lamelpantser. 

In de 14de eeuw werd het maliën in Japan geïntroduceerd. De Japanners ontwikkelden veel verschillende typen maliën, maar klonken het vrijwel nooit met nagels. Het meeste maliën werd in elkaar gevlochten en het werd ook vrijwel nooit op zichzelf als bescherming gedragen maar maakte deel uit van andere pantsers. Vaak werd het gecombineerd met leer en textiel en het meeste maliën uit Japan was zwart. 

Verschillende typen maliën

bay1.jpgVerschillende bronnen hebben het over verschillende typen maliën. Sommige vermelden oorlogshauberges, toernooihauberges, dubbel maliën, haute cloueur, botte of  botte cassée. Tot vandaag de dag hebben we geen idee wat hier precies mee wordt bedoeld. Mogelijk staat de benaming toute botte voor maliën dat tegen alles bestendig was. In dat geval moet er ook maliën zijn geweest dat slechts tegen bepaalde dingen bestand was. Een bron uit 1398 beschrijft infanteristen die maliënkolders dragen die tegen pijlen beschermen. Deze beschrijving geeft aan dat er dus ook maliënkolders moeten zijn geweest die niet zo geschikt waren tegen pijlen.  De Fransicaan Giovanni da Pian del Carpine beschrijft hoe de Mongoolse krijgers hun pijlpunten roodgloeiend in zout water laten afkoelen om ze zo sterk genoeg te maken om pantser te doorboren.  Ook vermeld hij dat tegen deze pijlen dubbel maliën bestendigd was.

Pijlen en maliënkolders

Door velen wordt aangenomen dat een maliënkolder geen bescherming bood tegen pijlen en met name niet tegen bodkinpijlen. Dit zou dan ook de reden zijn dat plaatstaal zich zou hebben ontwikkeld. Deze theorieën zijn opgesteld na testen van wapens op maliën. Vaak was het maliën te groot en zelfs niet geklonken. Dit geeft dus een vertekend beeld van de werkelijkheid.

tempelchurch.jpgModern onderzoek wijst uit dat maliënkolders relatief bestendig waren tegen verschillende soorten pijlen. Een experiment uit 1991 van de Royal Armouries of Leeds wijst uit dat een 15de eeuwse maliënkolder en wambuis bestendig was tegen de pijlen die op de Mary Rose zijn teruggevonden.  

Ook beschrijvingen uit vroegere tijden wijzen uit dat maliën wel degelijk bestand was tegen pijlen.

Tijdens de slag bij Duazzo in 1108 n.Chr. staakten de Byzantijnse boogschutters het vuur op de Frankische paarden. De schutters hadden weinig effect tegen het Frankische maliën. 

Een ridder beschreef tijdens de kruistochten dat zijn bedienden hem zijn maliënkolder aantrokken, zodat hij, omdat hij ziek op het dek van zijn boot lag, toch in enige mate beschermd was tegen de Saraceense pijlen.

Tijdens de tweede kruistocht raakte koning Louis de 7de afgesneden van zijn bodyguards. De Turken vielen hem aan en hij beklom snel een rots. De Turken schoten op hem maar dit had geen effect vanwege zijn bepantsering.

Tijdens de 3de kruistocht beschreef Bahâ`al-Dîn, de biograaf van Saladin, het Normandische leger. Aan de voorkant liep de cavalerie en daarachter de voetsoldaten, die elk een wambuis en maliënkolder droegen. De Saraceense pijlen hadden geen invloed op hen en hoeveel pijlen er ook in hun uitrusting waren geschoten, ze bleven doorvechten.

bay3.jpgTijdens de slag bij Byland in 1322 werd de banierdrager van de Schotse koning Robert the Bruce in zijn arm geschoten. Dankzij zijn maliënkolder had de pijl geen effect. Tijdens de slag bij Dupplin Moor in 1332 en Halidon Hill in 1333 hadden de Engelse longbowmen weinig effect op de Schotse bepantserde soldaten. Ze veroorzaakten echter verwarring doordat ze op de gezichten van de Schotten begonnen te schieten, omdat de Schotten voornamelijk open bascinets droegen.

Uit de beschrijvingen komt duidelijk naar voren dat de wambuis net zo belangrijk was als de maliënkolder. Vaak waren deze wambuizen zeer dik en van sterk vilt en linnen gemaakt. Vooral bodkinpijlen waren niet effectief tegen wambuizen omdat de wambuisstof om de pijlpunt heen ging zitten. Pijlpunten met meer snijkanten zouden effectiever zijn geweest, maar kwamen weer niet door het maliën heen. 

Klik hier voor ons assortiment maliënkolders


Set van 2 maliëntangen voor ongeklonken ringen

Set van 2 maliëntangen voor ongeklonken ringen

€ 11 90
  
Maliënkolder met halflange mouwen, platte ringen - ronde klinknagels, 8 mm

Maliënkolder met halflange mouwen, platte ringen - ronde klinknagels, 8 mm

€ 344 95
  
Lorica hamata, maat M

Lorica hamata, maat M

€ 606 00